0%
artikel
Datum

03.06.05

Een gesprek met Wim Henderickx, Yves Knockaert 2005

door Yves Knockaert, juni 2005


– Hoe komt het eigenlijk dat je de interesse in het Oosten hernieuwd hebt? 

WH: Het feit dat ik vorig jaar gedurende drie weken in Kathmandu en de Himalaya geweest ben, geeft mij het gevoel dat de ideeën in verband met het Oosten terug zijn. Door er voor het eerst echt te zijn, is het nu niet meer alleen die utopische fascinatie van het Oosten van vroeger, maar is een versterkte binding ermee ontstaan. Het verwerken van die niet-westerse filosofie heeft mij inderdaad weer in de ban. Ik kon niet anders, ik moést terug naar die ideeën van het Oosten. Ook het project met de percussionisten van Burkina Faso in 2003 heeft die terugkeer naar de openheid voor andere culturen mogelijk gemaakt. Ik meen dat er nu een symbiose en een kanalisering gebeurt van de zaken waarmee ik altijd bezig geweest ben, maar waarmee ik bewust heb willen breken na de “Raga’s”. Alles komt terug op een meer geïntensifieerde wijze: stilistisch en technisch zijn nieuwe domeinen ontdekt, zoals de elektronica bijvoorbeeld. Die heb ik in “Achilleus” en in “The Seven Chakras” dan voor het eerst toegepast. Ik durf ook zeggen dat je technisch rijper wordt en gaat beschikken over een rijker vakmanschap. Je bewandelt door die kennismaking met elektronica een aantal nieuwe wegen, zoals klankcompositie en spectraal werken, die je combineert met vroeger denken.

– Zijn het Oosten en de elektronica geen al te contrasterende werelden? 

WH: Voor het werk “Nada Brahma” voor Champ d’Action waar ik nu mee bezig ben, stamt het klankmateriaal dat ik manipuleer uit oosterse muziek, specifiek Boeddhistische muziek. Ik houd de zaken wel altijd duidelijk gescheiden: aan de ene kant is het Oosten een inspiratiebron, aan de andere kant is de elektronische manipulatie van klanken een zuiver technisch gegeven. Mijn muziek is zeker geen imitatie of een herschrijven van niet-westerse muziek. Voor mij bestaat er echter geen echte tegenstelling tussen het Oosten en de elektronica, omdat het concept en de uitwerking twee totaal verschillende werelden zijn in mijn componeerwijze.

– Je blijft als westerling toch altijd een “toerist” in het Oosten, ook in de oosterse filosofie? WH: Dat klopt wel, maar mijn reis naar de Himalaya en Kathmandu heb ik niet als een toerist opgevat. Ik ben ook niet als “kolonialist” naar Afrika willen gaan. Mijn respect voor niet-westerse culturen is te groot om daar enkel als “voyeur” naartoe te trekken en ze daarna in mijn werk te gaan imiteren. Emotie, daar gaat het mij om, niet enkel een oppervlakkig met het Oosten bezig zijn. Als ik in Kathmandu in en rond de Boeddhistische tempels en rond de stoepa’s liep en naar die Boeddhistische muziek luisterde, heb ik nooit het gevoel gehad daar rond te lopen als toerist. Ik voelde een sterke verbondenheid. Natuurlijk ben ik geen Boeddhist en geen oosterling en kan ik die volledige diepte misschien niet ervaren. Maar ik geloof dat ik een ander soort diepte ervaar. Met de “Tantric Cycle” heb ik de indruk dat het Oosters denken in mijn composities binnendringt.

– Voel je je dan verwant met andere componisten, zoals Jonathan Harvey, die ook altijd met het Oosten bezig is? 

WH: Zijn muziek kende ik wel, maar grondig heb ik ze pas enkele jaren geleden leren kennen. Ik vind dat er onbewust heel veel verbanden zijn tussen wat wij beiden doen, maar er zijn ook heel grote verschillen. Als basis vertrekken we allebei vanuit een eerlijkheid en openheid naar andere culturen toe, vooral de Boeddhistische cultuur.

– Voor het Oosten kan je terugvallen op een breed uitgebouwd net van filosofieën, maar voor Afrika ligt dat toch heel anders? 

WH: Ik zou dat verschil willen benaderen vanuit mijn project “Confrontations” dat ik realiseerde in opdracht van het “Zuiderpershuis” in Antwerpen. Het doel was twee culturen samenbrengen, maar daar geloofde ik niet echt in. Ik wilde twee culturen met elkaar confronteren, vandaar de titel. De link is niet gegroeid vanuit de muziek, maar vanuit de ideeën die ontstaan zijn in gesprekken met de djembé-virtuoos Adama Dramé. Het zou in de eerste plaats een stuk over emoties worden, universele emoties: hoop, liefde, onderdrukking, pijn, enzovoort. Die hebben daarna richting gekregen door bepaalde ritmische en melodische entiteiten uit beide muzikale werelden tegenover elkaar te zetten, wat niet wil zeggen dat dit een zuiver cross-over project wil zijn.

Toen ik de eerste keer in Afrika was, in 1985, had ik opnames gemaakt om de ritmische patronen te verwerken in mijn composities. Mijn uitgangspunt was dan ook nog meer gebonden aan het feit dat ik volop als percussionist actief was.

Ik ben nu willen uitgaan van datgene wat ons bindt. De onderliggende gedachte van het stuk is geen muzikale maar een emotioneel conceptuele gedachte. In de link met het Oosten voel ik hetzelfde: het zijn bepaalde universele ideeën en emoties die ons verbinden, waarin muziek een heel groot verschil net maakt. Zuiver muzikaal kan je oosterse en westerse muziek niet linken met elkaar: de systemen en technieken zijn veel te verschillend, zoals de ideeën over stemming en harmonie. Voor mij gaat het om de onderliggende gedachte die bindbaar is. Sinds ik zo intens met het Boeddhisme ben bezig geweest, vooral dan vanuit religieus filosofisch standpunt, ben ik heel sterk opnieuw westers gaan denken. Het is natuurlijk ook zo dat als je heel ver naar het oosten gaat, je terug in het westen uitkomt en de cirkel gesloten is. Ik voel terug een heel sterke binding met westerse religie, met het christelijk geloof. Ik heb vorig jaar “Saeta” geschreven, dat is een westers religieus geïnspireerd gitaarstuk. De onderdelen dragen titels zoals “Klaagzang van Maria”, “De lijdensweg van Jezus”, “De dood van Jezus”. Het eindigt met de verrijzenis en een meditatie. Voor mij beginnen die zaken in elkaar over te lopen, zowel het Oosten als het Afrikaanse en mijn westers zijn. Er zijn geen contrasten meer, er is geen opsplitsing, filosofisch of religieus. Ik kan zeggen dat ik uit een lange periode van zoeken kom en deels vond wat ik zocht in het Oosten. Ik kon mijn eigen religieuze en filosofische vragen niet oplossen met enkel westerse filosofen. Door op zoek te gaan naar filosofische en religieuze denkers uit verschillende continenten, heb ik het gevoel een completer antwoord te krijgen op mijn levensvragen. Een kruisbeeld naast een Boeddha naast een Shiva.

– Dat is dan ook de grondslag voor nieuwe werken in de toekomst? Ook op het gebied van opera? 

WH: Jazeker, maar dan wel opera in een zeer ruime context. Ik werk in eerste instantie bijvoorbeeld niet samen met een librettist, maar met andere kunstenaars zoals beeldend kunstenaar Hans Op de Beeck en regisseur Wouter Van Looy van “Transparant”. Ik denk nu meer aan een theatervorm zonder traditioneel verhaal, wat je in de opera altijd hebt en waarmee ik ook gewerkt heb. Het gaat mij nu meer om beelden in de zin van ideeën, die ik open wil laten. Op de Beeck zal een grote installatie bouwen waarin het publiek kan plaatsnemen. Het publiek zit dus in het decor, dat een omringende installatie geworden is. Het publiek is geen voyeur meer dat naar iets kijkt, maar mensen die in iets zitten en er zo actiever aan deelnemen. Dat is voor 2007 en ik houd van een lange rijpingsperiode, daarom ben ik er nu al mee bezig. Het zal een onderdeel zijn van de grote “Tantric Cycle”, die ik na mijn terugkeer uit de Himalaya begonnen ben met het strijkkwartet “The Seven Chakras”, waarin ik ook uitgebreid met elektronica gewerkt heb. Dat was het eerste grote werk van die reeks. Het tweede werk is “Maya’s Dream”. Maya is de moeder van Boeddha maar evengoed de moeder van Jezus als je het gegeven vertaalt. Het derde deel van de cyclus is “Nada Brahma” en gaat over vibraties die in de kosmos aanwezig zijn, die ik vanuit de muziek wil weergeven. Voor orkest plan ik nog een stuk, een aantal ensemblestukken en een ballet. Dat is de hele “Tantric Cycle”, met zeven of acht delen, die ik wil afronden met dat nieuwe muziektheater waarvoor ik momenteel als werktitel “Finding the Gods” gebruik. Dat is een planning tot 2008 of 2009. Het gaat dus om ideeën verbonden met het Oosten en verbonden met buitenmuzikale ervaringen die voor mij heel belangrijk zijn. Echter geen New Age, geen nabootsing van Indische muziek. Zoals bij de “Raga-cyclus” werk ik in de “Tantric Cycle” met compositorische ideeën waarin de verschillende onderdelen muzikaal op elkaar betrekking hebben: alles vertrekt vanuit dezelfde basisgedachte.

– Zet je dan alles in het teken van die cyclus? 

WH: Nee, daarnaast wil ik ook zijsprongen maken. Niet lang geleden heb ik Estse liederen geschreven en net heb ik een groot pianostuk “Memento Mori” voltooid, met de vergankelijkheid van het leven als thema en gebaseerd op schilderijen van mijn vriend Ronald De Preter. Ook al gaat dat over dood en vergankelijkheid, toch heb ik dat als een verademing ervaren. Ik plan ook een compositie rond “De Vuurvogel” in samenwerking met Bart Moeyaert en in opdracht van “Jeugd en Muziek Vlaanderen”. Dat zijn allemaal ideeën die niets met het Oosten te maken hebben, bewust natuurlijk. Zo kan ik tussendoor afstand nemen. Werken met poëzie en beeldende kunsten blijft ook een constante.

– Heb je nu niet de indruk dat je zoektocht beëindigd is, dat je een doel bereikt hebt? 

WH: Nee, maar het zoeken is wel anders. Blijven zoeken is belangrijk. Ik heb wel een groter gevoel van rust. Ik denk dat ik voor mijzelf beter weet wat ik moet doen in die voortdurende zoektocht. Ik volg nieuwe ontwikkelingen intensief, maar ik kies gewoonweg dat wat ik kan gebruiken. Dat is zo met spectralisme en elektronica, maar ook met enkele dj’s met wie ik nu mogelijkheden uittest, ook met mijn collega’s van de elektronische studio in Amsterdam. Wat ik er eventueel mee ga doen, zal zichzelf wel uitwijzen. Ik volg al die zaken met de typische vraag van de componist: wat kan mij voeden? Ik spreek niet meer van inspiratie of fascinatie, dat is niet genoeg: nieuwe mogelijkheden in muziek en ook andere kunsten moeten mij raken.

Compositie- en analyseles geven in de Conservatoria van Antwerpen en Amsterdam kan ik nu ook een betere plaats geven dan vroeger; nu behoort het essentieel tot mijn artistiek leven. Nu zie ik het als een confrontatie met de jonge kunstenaars en ben ik door hun jong kunstenaarschap gefascineerd. In Amsterdam heb ik jonge componisten uit alle werelddelen, daar kom ik ook weer met heel wat internationale culturen in contact. Ik geloof sterk in de jonge generatie. Ik ga graag mee in hun zoektocht, hun twijfels en onzekerheden, want het zijn toch deels dezelfde problemen waarmee ik te maken heb, niet alleen te maken had.

Intens bezig zijn als kunstenaar op een eerlijke en pure manier, dat is wat ik wil. Waarschijnlijk ga ik volgend jaar terug op reis naar het Oosten.